Selecteer een pagina
Corona en de kunst van het thuisblijven

Corona en de kunst van het thuisblijven

Elf suggesties voor mopperende mensen.

1. Lees een boek. Schrijf een verhaal. Speel gitaar. Boetseer. Teken. Schilder. Maak een filmpje met je kids.

2. Stop met dat geëmmer over afgelaste festivals en concerten tenzij je een noodlijdende artiest of ondernemer bent. Godsamme zeg. 

3. Verdiep je net als Thomas (twintig jaar geleden!) in de wonderlijke wereld van de teledildonica. 

4. Gebruik je tijd voor introspectie.

5. Geniet van de stilte.

6. Bestudeer de plotseling ontsproten bloembollen op je balkon.

7. Voer een lang telefoongesprek met iemand die je mist.

8. Begluur de buren.

 9. Ga in een zonnestraal op de bank liggen.

10. Maak een mixtape met liedjes over koortsig zijn (deze bijvoorbeeld).

11. Droom van betere tijden.

Storm

Storm

Na drie lades te hebben doorgespit slof ik met mijn Mary Poppinsparaplu (inclusief handig drukknopje) terug de woonkamer in. Ik neem een slok van mijn lauwgeworden lapsangthee en kijk naar de druppels die diagonaal over mijn raam lopen. Zou ik in mijn huispak het theater eigenlijk wel binnen mogen? Misschien als ik eerlijk zeg dat ik vlakbij woon, op dertien hoog met aan twee kanten ramen van drie bij drie. En dat ik ongesteld ben en geen andere plek weet waar ik volledig aan het geraas van de aanstaande storm kan ontsnappen. Een storm waarvan de brute kracht, net bij als een trein die langs een slagboom dendert, je altijd overvalt, zelfs al weet je dat-ie komt.

Tijdens mijn tweede slok komt de eerste windstoot. ‘Dat dus’, zeg ik tegen een meeuw of duif – met deze snelheden is het verschil niet te zien – die tijdens zijn afdaling achterstevoren terug de onheilspellende hemel in wordt geblazen. ‘Pats!’ klinkt het in één van de kozijnen. En nog een keer, ‘pats, pats!’ Net als ik mezelf heb overtuigd dat dat raam de wind heus wel kan hebben verschijnt er in de linker bovenhoek een scheurtje. Het raam bolt en er ontstaat een tweede. Dan honderden tegelijk. Met mijn hart in mijn keel staar ik naar het web van miniscule barstjes. Ik wil mijn telefoon pakken, waar is dat ding eigenlijk, maar bedenk dat ik geen idee heb wie te bellen.

Een sprankje hoop welt in me op als er na twee minuten geen barsten meer zijn bijgekomen, maar valt als gevolg van een nieuwe windstoot tegelijk met de ruit aan diggelen. De storm is meteen binnen, smijt me tegen de vloer en begint een verwoestende ronde door de kamer. Stoelen gaan om, een schilderij wordt van de muur gerukt en mijn blaadje met tien-voornemens-voor-rust-reinheid-en-regelmaat belandt via het plafond in het vuile afwaswater. Voordat ik mijn adem kan hervinden hoor ik hoe de wind zich met een scherpe fluittoon door het gapende gat terugtrekt en voel ik hoe hij mij, ruggelings glijend tussen de glasscherven over het laminaat, met zich meesleurt. Vlak voor de afgrond passeer ik mijn plu, grijp hem en druk wanhopig het knopje in.

Meneer Aart

Meneer Aart

Mijn hersenen krijgen het maar het niet voor elkaar om het ongeluk van Aart Staartjes te zien als iets echts. Bij elk nieuwsbericht maken ze volledig buiten mijn controle om een sprongetje naar een volgende scène, waarin er een blauwe vogel komt aanlopen die ‘oh meneer Aart’ roept, zijn brommobiel rechtop zet en hem een pleister en een glaasje limonade geeft voor de schrik. En als het geen blauwe vogel is dan is het wel Dieuwertje Blok aan een gezellig bureau die dingen zegt als ojee en als-dat-maar-goed-komt. Ook die scène stelt me gerust, want Dieuwertje zegt altijd ojee en het komt altijd goed. Staartjes duikt dan gewoon weer op met zijn Kruimeltjepet en schudt zijn object van verslaggeving, meestal een hooggeplaatste buitenlandse gast die net op tijd zijn paard, bagage of reisgezelschap heeft teruggevonden, opgewonden de hand. Maar mijn hersenen houden me voor de gek. Deze keer komt het niet goed met Aart, en nooit zal iemand me nog  toedekken en zeggen van wel.

Creo ergo sum

Creo ergo sum

Dit jaar had ik het voorrecht om even niet te werken. Ik had het niet gepland, het liep zo. Mijn functie was eindig, ik wilde iets anders maar wist nog niet wat, en ook in mijn privéleven had zich teveel te snel geroerd. Ruimte, besloot ik, was de beste oplossing. Ruimte om uit te vinden wie ik was als ik mijn maatschappelijke status en de angst voor het verlies ervan (aldus Alain de Botton) van me af zou werpen. Maar werpen bleek niet het goede woord. Het was meer een langzaam schurend vervellen. Vooral de mediawetenschappelijke identiteit die ik na de Universiteit Utrecht ook naar Beeld en Geluid mee had genomen was moeilijk los te laten.

Ik weet nog steeds niet of dat loslaten voor iemand die gepromoveerd is wel kán. Wanneer je een doctorstitel krijgt, teken je niet alleen voor ontvangst, maar ook voor een clausule van het type noblesse oblige, en zo’n maatschappelijke verplichting blijft toch ergens kleven. Daar komt bij dat de homo academicus in zijn vrije tijd graag soortgenoten opzoekt en zich nogal eens spiegelt aan vrienden en partners die zich een zinvol leven buiten de wetenschappelijke bubbel (of sekte, las ik in de Washington Post) lastig kunnen voorstellen. Maar wat ik wél weet, een jaar na dato, is dat ik naast een loslopende academicus ook nog iemand anders ben.

Ik merkte het toen ik dit voorjaar twee schrijfcursussen ging volgen en ik mijn koele analytische houding zonder problemen wist in te ruilen voor een wereld van fantasie en empathie. Een half jaar later viel het me evenzo op toen ik was begonnen aan een opleiding onderzoeksjournalistiek en na een lange videodraaidag met mijn partner-in-crime uiterst tevreden Amsterdam Centraal binnen reed. En ik voelde het op alle momenten dat ik biertjes dronk (of een perzik-hibiscus-ijsje at) met de kleurrijke kunstzinnige mensen die via die opleidingen en andere curieuze wegen mijn leven waren binnenstruikeld. Wat op al die momenten het daglicht zag, was een lang onderdrukte creatieve versie van mezelf dat de wereld weliswaar graag onderzoekt en duidt, maar hem nog veel liever schept. En wie schept, bestaat.

Lieve lezer, ik wens je een bevrijdend twintigtwintig.

Zaal 1

Zaal 1

‘Laat maar hangen, geen last van’, zei ik tegen de scheerwollen truiman die zijn arm uitstak om een grijsgroene regenjas van mijn rugleuning te halen. Ik was net op tijd het roezemoezende Tuschinski binnen gerend en had er, ondanks dat ik echt een kaartje had, lang over gedaan nog ergens een plekje te vinden. ’Ja weet u’, gooide ik er achteraan toen hij wat onzeker in zijn voorovergebogen poze bleef hangen, ’ik heb er speciaal mijn haar voor gewassen, voor een ontmoeting met andermans kraag bedoel ik’. ’Echt?’ Vroeg hij. Blijkbaar had hij lang geen grapje meer gehoord. Ik schudde mijn hoofd en hoopte dat de documentaire hem genoeg tijd zou laten van onze uitwisseling  bij te komen. Dat was zo want voordat ik de zaal kon verlaten vroeg hij of ik al gegeten had. Twee levensverhalen later, waarvan ééntje eindigde met een scheiding en een nieuwe fiets, liet ik hem slenterend over een met plassen bezaaide Nieuwezijds Voorburgwal weten dat het gezellig was geweest, misschien zelfs voor herhaling vatbaar, maar dat ik voor de duidrlijkheid niet tot hem aan getrokken was. “Dat kan je niet zeker weten” bracht hij uit. Ik vroeg waarom niet. ‘Omdat mijn jas ook mocht blijven.’ Toen mijn veerpont van hem wegdreef vroeg ik me af waarom vriendelijkheid zo vaak met iets anders wordt verward, en ook of ik terug zou lopen naar het achterdek om nog één keer naar hem te zwaaien.