Selecteer een pagina
Melancholie (and the Infinite Sadness)

Melancholie (and the Infinite Sadness)

Van al mijn jeugdliefdes had Rufus Routh de mooiste naam. Op mijn veertiende rolde hij vaak over mijn tong in het bijzijn van vriendinnetjes met wie ik mijn schooldagen en het leven evalueerde. Smoorverliefd was ik op hem. Niet dat dat wederzijds was; hij zat in een topsportklas, was hard op weg om Nederlands turnkampioen te worden en was voor een doodgewoon VWO-meisje als ik volledig onbereikbaar. Zijn zacht golvende lippen hebben mijn naam nooit genoemd. Ik weet niet eens zeker of hij die wel wist.

Toch was Rufus lange tijd de reden dat ik ‘s ochtends mijn bed uit kwam en zonder al te veel mokken om half acht op de fiets zat, de heuvel op. Niet vanwege zijn naam, lippen of een andere aantrekkelijke uiterlijkheid, maar omdat hij iets bescheidens had, iets overwegends, alsof hij de wereld allang had begrepen. Hij hield van de Smashing Pumpkins. En hij had vriendelijke ogen. Wanneer hij me in de gang groette of vriendelijk naar me lachte (mijn bakvisgedrag was hem ondanks zijn afgeschermde leven niet ontgaan) kon ik daar weken op teren. 

En dan had hij ook nog zo’n lieve moeder die ik leerde kennen als mijn geduldige docent Engels tot ze onterecht werd ontslagen, wat op zijn beurt een leerlingenopstand ontketende, wat er weer voor zorgde dat zij haar fans dankbaar bij haar thuis uitnodigde. Daar zette ze een grote pot thee, nam de kat op schoot en vertelde over het leven. Het leven waarin het zomaar kan gebeuren dat je je man en jongste kind verliest door een auto-ongeluk en toch moet proberen met en voor je andere kind moedig door te gaan. Een leven, ook, waarin je ondanks alles opnieuw de liefde kunt vinden.

Ik vroeg me af, deze week, hoe het zou zijn met die mooie onbereikbare jongen en die lieve uit het dal opkrabbelende lerares van toen. Een bevroren Facebookpagina en een zestal tweets uit de turnwereld gaven me te kennen dat er slecht nieuws was: Rufus bleek anderhalf jaar geleden op 36-jarige leeftijd te zijn overleden. Hoe het met zijn moeder is kan ik alleen maar raden.

Lieve Rufus, ergens tussen de sterren, deze is voor jou.

Legkip

Legkip

“Je lijkt wel een legkip”, sprak een spierbundel met pinguinbenen in het plat Amsterdams. Hij liep langs het uitzichtloze betonnen bankje waarop ik me ongestoord (dacht ik) vreselijk zat te voelen. ”Oh nou dank je”, hoorde ik mezelf zeggen, “al klonk het niet echt als een compliment”. Het maakte niet uit, alles was toch al naar de klote. Even minderde hij vaart, daarna beende de Hema in en kwam terug met een doos slagroomsoesjes. Elf stuks, om het goed te maken. Ik probeerde nog iets te zeggen, maar voordat ik mijn tranen had weggeslikt was hij de hoek al om.

Vaste klant

Vaste klant

Halverwege de steeg kwam ze hem tegen in zijn bekende bruine ribbroek. “Ha Mia, ik wilde net kijken of je al open was.” Ze trok haar rolkoffer dichterbij en schudde haar hoofd. “Je gulp”, zei ze zacht. De grote man voor haar boog zijn hoofd en begon verontschuldigend aan zijn rits te sjorren. 

Even moest ze denken aan hoe hij met zijn warrige lichtgrijze haar en logge voorkomen twee jaar geleden schoorvoetend op haar raam had geklopt en hij noch zij de knoop van zijn broek open had gekregen. Nadat ze hem voorzichtig door zijn gulp had gepijpt, had hij haar verteld van zijn eenzaamheid en paniekaanvallen, en had zij gezegd dat hij haar deed denken aan die vriendelijke Britse documentairemaker met moeilijke naam die wel eens in haar geboortedorp was geweest. Daarop zei hij dat ze intelligenter was dan ze leek en werd haar eerste vaste klant. 

“Maar goed, ik ben dus duidelijk te vroeg”, vervolgde hij, nu met gesloten rits. Mia deed een stap dichterbij. “Nee, niet te vroeg. Ik stop, ga terug naar Hanoi. Heb hulp, paspoort, ticket, alles.” Zijn zojuist nog rood aangelopen gezicht oogde plotseling bleek. “Terug? Oh, maar dat is … nee … ja … goed natuurlijk. Maar moet dat nu meteen? Kan je niet … kunnen wij … hoe moet dat dan met …”

Mia tuurde over zijn schouder. Aan het eind van de steeg stond de haar toegezegde witte kleine Seat Ibiza met draaiende motor. Ze wilde zeggen dat ze moest gaan, haar vlucht moest halen. maar de beste man hapte nu piepend naar adem, wankelde, raakte een kinderfietsje en greep nog net op tijd haar arm. Ze vloekte. Zo kon ze hem niet achterlaten. Ieder ander misschien, maar hem niet. Sir David Attenborough, nu wist het weer. Ze zwaaide naar de witte auto die daarop langzaam de steeg in draaide. “Mag hij met ons mee?” Vroeg ze door het halfopen raam. De chauffeur haalde zijn schouders op.

Johan

Johan

Leeft mijn dochter nog? 
Hoi mam. 
Gelukkig. Dacht even checken, zo lang niks gehoord. 
Nou ik leef nog. 
Ben je al bij de psycholoog geweest? 
Ja, al twee maanden. 
Oh mooi. Wat zegt-ie over je loopbaan? 
Nog niks. Maar wij moeten wel een keertje praten. 
Oh ja? Waarover? 
Liever niet via sms. Ik kom binnenkort wel langs 
Nou je maakt je me wel nieuwsgierig. Kun je niet alvast zeggen waarover? 
Nee. 
Wacht ik bel je. 
Mam, ik- 
Zo. Da’s beter. Ja voordat jij eens langs komt met dat drukke leven van je. Wil je psycholoog ook niet een beetje voortgang? 
Ja maar dit is niet iets- 
Vertel het nou maar, zo erg kan het niet zijn. 
Nou, oké, maar ga wel even zitten. 
Ja ik zit. 
Herinner je je Johan de overbuurjongen nog? 
Jazeker. Knappe jongen was dat. En slim. Heb je daar weer contact mee? 
Hij heeft me verkracht toen jij naar de bruiloft van tante Tinie was. 
Mam? 
Mamma? Ben je d’r nog? 
Goh, ja, dat is vervelend lieverd, maar waarom is dat ineens mijn schuld? 
Jouw schuld? Maar dat zeg ik toch helem-
Was dat trouwens niet de dag waarop je dat veel te korte jurkje weer uit de prullenbak had gevist? Met dat dunne dingetje vraag je erom, dat zei ik toen ook al, maar je luistert nooit. Zeg dat maar tegen je psycholoog, dat je niet luistert. Nou, ik ga ophangen hoor. Succes ermee. Dag dag.