Selecteer een pagina
Zaal 1

Zaal 1

“Laat maar hangen hoor, ik heb er geen last van”, zei ik tegen de scheerwollen truimeneer die achter mij aanstalten maakte zijn grijsgroene regenjas van mijn rugleuning te halen. Ik was nog net op tijd het roezemoezende Tuschinski binnen gerend en had er, ondanks dat ik toch echt een kaartje had, lang over gedaan nog ergens een plekje te vinden. De scheerwollen truimeneer keek me onzeker aan. “Ja weet u”, zei ik om hem op zijn gemak te stellen, “ik heb speciaal mijn haar gewassen voor het geval mijn hoofd zich tegen andermans kraag zou vleien.” “Echt?” Vroeg hij met hoog opgetrokken wenkbrauwen. Ik schudde mijn hoofd. Gelukkig had hij twee uur de tijd om van mijn grapje bij te komen, en dat deed hij, want voordat ik de zaal kon verlaten vroeg hij wat ik van de documentaire vond en of ik al gegeten had. Een zak friet en twee levensverhalen later liet ik hem, slenterend over een bijna uitgestorven Nieuwezijds Voorburgwal, uit voorzorg weten dat ik graag nog eens met hem naar een film ging maar niet fysiek tot hem aangetrokken was en zolang de verwachtingen dus maar duidelijk waren.“Maar zeg eens, waarom vroeg je me eigenlijk überhaupt zo vriendelijk mee?.” Voegde ik eraan toe. Zijn antwoord was resoluut. “Omdat m’n jas over je rugleuning mocht hangen.” Toen mijn veerpont even later van hem wegdreef vroeg ik me af hoeveel antidepressiva het zou schelen als we wat vaker vreemde kleding over vreemde stoelen zouden tolereren.

Melancholie (and the Infinite Sadness)

Melancholie (and the Infinite Sadness)

Van al mijn jeugdliefdes had Rufus Routh de mooiste naam. Op mijn veertiende rolde hij vaak over mijn tong in het bijzijn van vriendinnetjes met wie ik mijn schooldagen en het leven evalueerde. Smoorverliefd was ik op hem. Niet dat dat wederzijds was; hij zat in een topsportklas, was hard op weg om Nederlands turnkampioen te worden en was voor een doodgewoon VWO-meisje als ik volledig onbereikbaar. Zijn zacht golvende lippen hebben mijn naam nooit genoemd. Ik weet niet eens zeker of hij die wel wist.

Toch was Rufus lange tijd de reden dat ik ‘s ochtends mijn bed uit kwam en zonder al te veel mokken om half acht op de fiets zat, de heuvel op. Niet vanwege zijn naam, lippen of een andere aantrekkelijke uiterlijkheid, maar omdat hij iets bescheidens had, iets overwegends, alsof hij de wereld allang had begrepen. Hij hield van de Smashing Pumpkins. En hij had vriendelijke ogen. Wanneer hij me in de gang groette of vriendelijk naar me lachte (mijn bakvisgedrag was hem ondanks zijn afgeschermde leven niet ontgaan) kon ik daar weken op teren. 

En dan had hij ook nog zo’n lieve moeder die ik leerde kennen als mijn geduldige docent Engels tot ze onterecht werd ontslagen, wat op zijn beurt een leerlingenopstand ontketende, wat er weer voor zorgde dat zij haar fans dankbaar bij haar thuis uitnodigde. Daar zette ze een grote pot thee, nam de kat op schoot en vertelde over het leven. Het leven waarin het zomaar kan gebeuren dat je je man en jongste kind verliest door een auto-ongeluk en toch moet proberen met en voor je andere kind moedig door te gaan. Een leven, ook, waarin je ondanks alles opnieuw de liefde kunt vinden.

Ik vroeg me af, deze week, hoe het zou zijn met die mooie onbereikbare jongen en die lieve uit het dal opkrabbelende lerares van toen. Een bevroren Facebookpagina en een zestal tweets uit de turnwereld gaven me te kennen dat er slecht nieuws was: Rufus bleek anderhalf jaar geleden op 36-jarige leeftijd te zijn overleden. Hoe het met zijn moeder is kan ik alleen maar raden.

Lieve Rufus, ergens tussen de sterren, deze is voor jou.

Legkip

Legkip

“Je lijkt wel een legkip”, sprak een spierbundel met pinguinbenen in het plat Amsterdams. Hij liep langs het uitzichtloze betonnen bankje waarop ik me ongestoord (dacht ik) vreselijk zat te voelen. ”Oh nou dank je”, hoorde ik mezelf zeggen, “al klonk het niet echt als een compliment”. Het maakte niet uit, alles was toch al naar de klote. Even minderde hij vaart, daarna beende de Hema in en kwam terug met een doos slagroomsoesjes. Elf stuks, om het goed te maken. Ik probeerde nog iets te zeggen, maar voordat ik mijn tranen had weggeslikt was hij de hoek al om.