Kunstmestfabriek erkent 40 jaar stankoverlast: ‘We zijn niet verplicht tot maatregelen’

Kunstmestfabriek erkent 40 jaar stankoverlast: ‘We zijn niet verplicht tot maatregelen’

 Een eerdere versie van dit artikel is te lezen op smallstreammedia.nl

Na meer dan een eeuw op haar vaste standplaats in Amsterdam onderhandelt Kunstmestfabriek ICL Fertilizers met de gemeente over verhuizing. De fabriek wil uitbreiden, maar zit klem vanwege gemeenteplannen voor de nieuwbouwwijk Haven Stad. Omwonenden klagen al jaren over stankoverlast uit het westelijk havengebied. De fabrieksdirecteur erkent inmiddels dat zijn bedrijf voor een deel van die stank verantwoordelijk is.

Chemisch, zwavelachtig, muf, weeïg, uitlaatgas, lucifers, oude diesel, verbrand plastic, speltmeel: zomaar wat benamingen die Amsterdammers geven voor de penetrante geur die ze ruiken wanneer ze in het noordwesten van de stad een frisse neus proberen te halen. Soms kronkelt de stank vanuit het westelijk havengebied langs de Houthavens richting de Silodam, maar vaker nog, bij zuidwestenwind, glijdt hij het IJ over en glipt door de open slaapkamerramen van de hoogbouw op de NDSM-werf en de arbeiderswoningen in het groene Tuindorp Oostzaan.  

Klachten over de geur zijn er al sinds de jaren tachtig. In het populair wordende Amsterdam-Noord maakt een groeiend aantal mensen zich zorgen over zijn gezondheid. “Tijdens het hardlopen sla ik ervan dicht en zit ik vervolgens een tijdje te piepen”, verklaart een zesendertigjarige bewoner van een nieuw wooncomplex op de NDSM-werf. Zijn buren roepen elkaar sinds vorig jaar via Facebook op om de stank telkens opnieuw te melden bij de milieudienst. Ook vanuit de oudere buurten verderop is er afgelopen mei een petitie gestart. In Tuindorp Oostzaan zijn ze al wat langer in gesprek met de milieudienst. Buurtbewoner Jerry is lid van de bewonersgroep Tuindorp Schoon. Hij legt uit dat er twee typen stank zijn: “De ene is scherp, chemisch en zwavelachtig, de andere ruikt naar gekookte bonen. Als ik van Oostzaan naar mijn kantoor in de Houthavens fiets dan ruik ik eerst de ene en dan de andere.” 

De scherpe chemische lucht is volgens Jerry de grootste boosdoener. Hij krijgt er branderige ogen van. Hij vermoedt dat de geur afkomstig is van ICL Fertilizers, een kunstmestfabriek aan de rand van Coenhaven die fosfaat mengt met zwavelzuur. De fabriek stoot bijna vierentwintig uur per dag een cocktail van zoete, zure en scherpe gassen de lucht in, waaronder benzeen, zoutzuurgas, ammoniak en fluorwaterstof.

Als ik bel met ICL Fertilizers blijkt het vermoeden van Jerry terecht. Directeur Anthony Zanelli erkent dat de gassen uit zijn schoorsteen, die volgens hem naar bloemkool ruiken, in de omgeving veel stankklachten veroorzaken. Zijn bedrijf kan een extra geurfilterinstallatie plaatsen, maar Zanelli is niet van plan daarin te investeren. Israel Chemicals, het moederbedrijf van de fabriek, maakte afgelopen jaar bijna 700 miljoen euro winst. 

Anthony Zanelli benadrukt dat de fabriek binnen de provinciale geurnorm blijft en ICL niet verplicht is extra maatregelen te nemen: “We stinken al sinds 1907. In de tussentijd is de stad naar ons toegegroeid en de tolerantie flink gedaald. Maar dat betekent niet dat we wat fout doen”. De kosten van de installatie vindt hij te hoog: zeker een miljoen euro. 

De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, die de inspecties uitvoert en het aantal stankklachten in 2019 zag verviervoudigen, bevestigt dat de fabriek zich inderdaad aan de geurnorm houdt. Deze norm geeft aan de hand van zogenaamde grenswaarden en geureenheden aan hoe intens een geur nog mag zijn wanneer deze een woonwijk treft. Afhankelijk van het type uitstoot ligt die grens tussen één en vier keer de hoeveelheid geurdeeltjes die een mensenneus nog net kan ruiken. 

Echter, de Omgevingsdienst baseert haar uitspraak op een door de fabriek zelf uitgevoerd rapport, waarin geurverspreiding wordt gemeten aan de hand van een experiment met een panel van vrijwilligers en een meteorologisch rekenmodel. “Die meetmethode is vrij standaard”, zegt hoogleraar luchtkwaliteit Maarten Krol, “maar het model gaat uit van gemiddelden over vijf jaar en zegt weinig over piekmomenten.” 

Een deel van de stank kan ook van elders komen. De Omgevingsdienst kan bedrijven enkel individueel verantwoordelijk houden voor hun geuremissies. Geurcocktails van meer bedrijven samen worden niet getoetst aan de norm omdat er daarmee aldus de dienst niet kan worden ingegrepen bij elk afzonderlijk bedrijf. Ondertussen schreef een inspecteur van de Omgevingsdienst eind 2019 al in een e-mail aan een bewoner in Tuindorp Oostzaan dat ze in de wijk zowel de geur van ICL als die van zijn buurman, Bunge, roken. Bunge verwerkt plantaardige grondstoffen als soja en raapzaad tot consumentenproducten. Het bedrijf heeft een dertien jaar oude milieuvergunning die soepeler is dan de norm, en zorgde al eerder voor stankoverlast. In 1990 concludeerde een GGD-rapport dat bewoners in noordwest vaker overlast hadden van de, aldus het rapport, ‘zoete geur’ van Bunge (destijds Cargill) dan van andere bedrijven in het havengebied. Daar kwam bij dat de zuidwestenwind de geuren van de soja- én de kunstmestfabriek regelmatig samen het gebied in blies. Destijds woonden daar ruim 18.000 mensen, nu zijn het er bijna 22.000. Na de voltooiing van de NDSM-wijk zullen dat er naar schatting nog zo’n zesduizend meer zijn. 

Ondertussen vraagt de actiegroep Tuindorp Schoon zich af hoe het verder moet. “Dat we er zo bovenop zitten is ook omdat we gewoon niet weten wat we inademen”, zegt één van hen tijdens een online informatiebijeenkomst met de Omgevingsdienst en de GGD afgelopen mei. De milieudienst komt daarop met nieuws: Sojafabriek Bunge zal op korte termijn opnieuw gecontroleerd worden. Ook zal de dienst uitzoeken of de milieuvergunning voor beide fabrieken op basis van de nationale wet milieubeheer toch kan worden aangescherpt. Deze wet schrijft voor dat een bedrijf altijd de best beschikbare technieken moet inzetten om geuroverlast terug te dringen. Of dat laatste juridisch haalbaar is, moet blijken. Elf jaar geleden tekende de provincie en gemeente als gevolg van een dispuut over ruimtelijke plannen een convenant met zowel ICL als Bunge, waarin deze samen beloofden de milieuruimte van de bedrijven tot 2025 niet verder in te perken.

De gemeente jongleert nu met plannen en milieuruimte. Begin dit jaar verlengde zij de erfpacht van de westelijke havenbedrijven tot 2040 terwijl zij de nieuwbouwwijk Haven Stad vanaf 2029 nog dichterbij de havenbedrijven wil bouwen. Twee maanden na de online informatiebijeenkomst meldt de Omgevingsdienst in juli 2020 dat zij het onderzoek naar Sojabedrijf Bunge hebben afgerond. De conclusie is dat ook Sojafabriek Bunge de geurnorm feitelijk niet overtreedt. 

Dat er volgens de gemeente rekening wordt gehouden met de geurnorm en wettelijke kaders voor een gezond en goed leefklimaat lijkt, gezien de situatie in de bestaande wijken, geen garantie voor stankvrij wonen. Wethouder Marieke Doorninck: “De toekomstige bewoners van Haven Stad zullen vooraf actief en volledig geïnformeerd worden over de milieubelasting, zodat zij een bewuste keuze kunnen maken voor wonen in een milieubelast gebied.” Eerder nam de gemeente een dergelijke clausule al op in de koopovereenkomsten van woningen in de Houthavens. 

Fabrieksdirecteur Zanelli van ICL Fertilizers ziet de bui met nieuwe klachten al hangen. Hij heeft voor de wethouder een betere oplossing: ‘Van de erfpachtinkomsten die Haven Stad straks oplevert, kan de gemeente ons helpen verhuizen.”

Agressie tegen jeugdbeschermers: waarom de noodklok luiden niet genoeg is

Agressie tegen jeugdbeschermers: waarom de noodklok luiden niet genoeg is


Als in het najaar van 2019 blijkt dat acht op de tien jeugdhulpverleners te maken krijgt met agressief gedrag door ouders en opvoeders, luidt de Jeugdbescherming Nederland de noodklok. Via een pamflet roept de instelling politie en justitie op om sneller en adequater in te grijpen bij fysieke agressie en bedreigingen via sociale media. Minister Sander Dekker reageert geschokt.

‘Wel goed dat de Jeugdbescherming die agressie zo nauwkeurig monitort‘, zeg ik nog tegen collega-in-opleiding Lara Bruckman die me heeft uitgenodigd voor een bezoekje aan één van de regiokantoren. In het no-budgetfilmpje hierboven kun je horen en zien dat ik het mis had, en waarom dat voor jeugdbeschermers slecht nieuws is.

OM acht steigerbedrijf schuldig aan dood monteur

OM acht steigerbedrijf schuldig aan dood monteur

Het openbaar ministerie acht het Ridderkerkse steigerbedrijf Travhydro en één van zijn medewerkers schuldig aan de dood van een monteur. Dit bleek woensdag tijdens een zes uur durende rechtzaak in Amsterdam. Het bedrijf wordt verdacht van valsheid in geschrifte en dood door schuld wegens het niet naleven van de arbowet. In mei 2017 overleed een monteur bij de Noordersluis in IJmuiden nadat de hangsteiger waar hij zich tijdens het demonteren aan geankerd had van de kade losraakte en in het water terecht kwam. Justitie eist een taakstraf van 240 uur, twee jaar voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van 75.000 euro, waarvan 25.000 voorwaardelijk.

Travhydro en uitvoerend toezichthouder Mario B. zouden volgens justitie onvoldoende veiligheidsmaatregelen hebben genomen om de veiligheid van de monteur te waarborgen. Zo zou B. hebben verzuimd goede werkinstructies te geven, toezicht te houden, tekeningen en berekeningen te laten maken en het (zo bleek later afwezige) diploma van de monteur te controleren. Ook zou hij met medeweten van zijn directeur een bouwtekening bewust van een valse datum hebben laten voorzien.

Tijdens de zitting besteedden de rechters veel aandacht aan de vraag of B. zich hield aan door de bouwsector en overheid opgestelde Richtlijn Steigers, ondanks het feit dat deze richtlijn pas in 2018 een wettelijke status kreeg. Volgens Peter Hecker, secretaris van de Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven (VSB) is dat terecht: ‘De regels en procedures uit die richtlijn zijn een concrete en praktische vertaling van de arbowet. Ze zorgen ervoor dat bouwbedrijven zich hun werknemers conform de wet kunnen beschermen tegen letsel. Ze konden van die richtlijn afwijken, maar een bedrijf dat dat doet moet dan wel met hele goede argumenten komen.

Dergelijke argumenten werden in de rechtszaal niet genoemd. In plaats daarvan poogde het bedrijf zich te verantwoorden over de opeenvolging van gemaakte keuzes en grepen de advocaten van Travhydro de richtlijn en de onderzoeken van de arbo-inspectie aan om aan te tonen dat niet (enkel) het steigerbedrijf, maar ook hoofdaannemer SPIE en het uitzendbureau Skypoort dat de monteur leverde in het beklaagdenbankje hadden moeten zitten, en dat het Openbaar Ministerie aldus willekeurig had gehandeld.

De neiging om de verantwoordelijkheid, terecht of onterecht, op andere aannemers af te schuiven is volgens Hecker precies waarom er ondanks de richtlijn in de bouw nog zoveel ongelukken gebeuren: ‘Een bouwplaats is een soort Wild Westen: Aannemers en onderaannemers werken er naast elkaar, het werk moet snel af en niemand voelt zich verantwoordelijk voor álles. De meeste ongelukken gebeuren omdat iemand tijdens het gebruik van goed gebouwde een steiger bijvoorbeeld heel even een stang moet weghalen, deze niet terug plaatst, en een ander daar vervolgens niets van weet. Er is niemand om de veiligheid gedurende het hele bouwproces te coördineren.

Ook Thomas van Belzen, journalist en chef onderzoek bij Cobouw, is van mening dat er overkoepelde veiligheidscoördinatie nodig is. Er moet volgens hem echter ook een diepere cultuuromslag komen omdat er in de bouw nog steeds een soort stel-je-niet-aan-mentaliteit heerst dat ervoor zorgt dat de veiligheid en voorzichtigheid als waarden ondergeschoven kindjes blijven. Dat begint aldus Belzen al wanneer een werknemer ergens meldt dat-ie nieuwe schoenen nodig heeft, en vervolgens een hoop flauwe grappen naar zijn hoofd geslingerd krijgt. Hij vindt dat het anders moet.

Voor de weduwe van het slachtoffer komt elke maatregel te laat. Zij wacht, zo zei ze in de rechtszaal, al twee jaar op een handreiking van het bedrijf dat voor haar in alle toonaarden zwijgt. Mario B. verklaarde met trillende stem dat dat zwijgen geen opzet is: ‘Ik wil juist heel graag met haar praten, maar ik durf het niet.’

Op zes november doet de rechter uitspraak.