Selecteer een pagina

“Laat maar hangen hoor, ik heb er geen last van”, zei ik tegen de scheerwollen truimeneer die achter mij aanstalten maakte zijn grijsgroene regenjas van mijn rugleuning te halen. Ik was nog net op tijd het roezemoezende Tuschinski binnen gerend en had er, ondanks dat ik toch echt een kaartje had, lang over gedaan nog ergens een plekje te vinden. De scheerwollen truimeneer keek me onzeker aan. “Ja weet u”, zei ik om hem op zijn gemak te stellen, “ik heb speciaal mijn haar gewassen voor het geval mijn hoofd zich tegen andermans kraag zou vleien.” “Echt?” Vroeg hij met hoog opgetrokken wenkbrauwen. Ik schudde mijn hoofd. Gelukkig had hij twee uur de tijd om van mijn grapje bij te komen, en dat deed hij, want voordat ik de zaal kon verlaten vroeg hij wat ik van de documentaire vond en of ik al gegeten had. Een zak friet en twee levensverhalen later liet ik hem, slenterend over een bijna uitgestorven Nieuwezijds Voorburgwal, uit voorzorg weten dat ik graag nog eens met hem naar een film ging maar niet fysiek tot hem aangetrokken was en zolang de verwachtingen dus maar duidelijk waren.“Maar zeg eens, waarom vroeg je me eigenlijk überhaupt zo vriendelijk mee?.” Voegde ik eraan toe. Zijn antwoord was resoluut. “Omdat m’n jas over je rugleuning mocht hangen.” Toen mijn veerpont even later van hem wegdreef vroeg ik me af hoeveel antidepressiva het zou schelen als we wat vaker vreemde kleding over vreemde stoelen zouden tolereren.