Dit jaar had ik het voorrecht om even niet te werken. Ik had het niet gepland, het liep zo. Mijn functie was eindig, ik wilde iets anders maar wist nog niet wat, en ook in mijn privéleven had zich teveel te snel geroerd. Ruimte, besloot ik, was de beste oplossing. Ruimte om uit te vinden wie ik was als ik mijn maatschappelijke status en de angst voor het verlies ervan (aldus Alain de Botton) van me af zou werpen. Maar werpen bleek niet het goede woord. Het was meer een langzaam schurend vervellen. Vooral de mediawetenschappelijke identiteit die ik na de Universiteit Utrecht ook naar Beeld en Geluid mee had genomen was moeilijk los te laten.

Ik weet nog steeds niet of dat loslaten voor iemand die gepromoveerd is wel kán. Wanneer je een doctorstitel krijgt, teken je niet alleen voor ontvangst, maar ook voor een clausule van het type noblesse oblige, en zo’n maatschappelijke verplichting blijft toch ergens kleven. Daar komt bij dat de homo academicus in zijn vrije tijd graag soortgenoten opzoekt en zich nogal eens spiegelt aan vrienden en partners die zich een zinvol leven buiten de wetenschappelijke bubbel (of sekte, las ik in de Washington Post) lastig kunnen voorstellen. Maar wat ik wél weet, een jaar na dato, is dat ik naast een loslopende academicus ook nog iemand anders ben.

Ik merkte het toen ik dit voorjaar twee schrijfcursussen ging volgen en ik mijn koele analytische houding zonder problemen wist in te ruilen voor een wereld van fantasie en empathie. Een half jaar later viel het me evenzo op toen ik was begonnen aan een opleiding onderzoeksjournalistiek en na een lange videodraaidag met mijn partner-in-crime uiterst tevreden Amsterdam Centraal binnen reed. En ik voelde het op alle momenten dat ik biertjes dronk (of een perzik-hibiscus-ijsje at) met de kleurrijke kunstzinnige mensen die via die opleidingen en andere curieuze wegen mijn leven waren binnenstruikeld. Wat op al die momenten het daglicht zag, was een lang onderdrukte creatieve versie van mezelf dat de wereld weliswaar graag onderzoekt en duidt, maar hem nog veel liever schept. En wie schept, bestaat.

Lieve lezer, ik wens je een bevrijdend twintigtwintig.